Stop met vrije beroepers als fiscale zondebok op te voeren
De voorbije dagen trokken de voorstellen van Vooruit over zogenaamde "managementvennootschappen" opnieuw de aandacht. Volgens hun berekeningen zou de vervennootschappelijking de Belgische schatkist jaarlijks tussen 4,2 en 4,7 miljard euro kosten. Daarbij worden tienduizenden vrije beroepers met een vennootschap mee in het vizier genomen.
Bij de Federatie Vrije Beroepen trekken we grote ogen bij die analyse. Ze slaat de bal volledig mis en vertrekt van karikaturen in plaats van de economische realiteit waar veel vrije beroepers zich in bevinden. Om te beginnen wordt er gesproken over "managementvennootschappen" alsof het om een duidelijk afgebakende categorie gaat. Dat is niet het geval. Er bestaat vandaag geen wettelijke of fiscale definitie van een managementvennootschap. Zelfs de overheid beschikt niet over sluitende cijfers over hun aantal, hun belastingdruk of hun personeelsbestand. Toch worden op basis van die onduidelijke categorie miljardenbedragen naar voren geschoven. Daarnaast wordt een vennootschap al te vaak voorgesteld als een louter fiscaal instrument. Dat beeld klopt niet met de werkelijkheid. Een vennootschap beschermt het privévermogen tegen beroepsrisico's, maakt samenwerking mogelijk, vergemakkelijkt opvolging en overdracht, creëert continuïteit en laat toe om reserves op te bouwen voor investeringen en innovatie. Dat zijn geen fiscale achterpoortjes, maar essentiële voorwaarden voor duurzaam ondernemerschap in het vrije beroep.
Ook het onderscheid tussen vennootschappen mét en zonder personeel is bijzonder ongelukkig. Wie vennootschappen zonder personeel omschrijft als managementvennootschappen, treft niet alleen bestuurders, maar in de eerste plaats artsen, advocaten, architecten, accountants, dierenartsen, landmeters-experten en vele andere vrije beroepers die om allerhande legitieme redenen voor een vennootschap hebben gekozen. Zij treft bovendien de samenwerkingsvormen met zelfstandige medewerkers die in de vrije beroepen gangbaar zijn. Bovendien roept ook de studie zelf vragen op. Zelfstandigen worden vergeleken met werknemers, terwijl ze onder een fundamenteel verschillend sociaal en fiscaal statuut vallen. Ondernemingsrisico's, investeringen en gedragseffecten worden nauwelijks meegenomen.
Maar de kern van het probleem zit nog dieper. Opnieuw dreigt de indruk te ontstaan dat vrije beroepers vooral een bron van extra begrotingsinkomsten zijn. Alsof een vennootschap per definitie verdacht is. Alsof ondernemers die binnen het wettelijke kader hun activiteit organiseren een probleem vormen dat moet worden gecorrigeerd. Dat is de verkeerde logica. Vrije beroepers zorgen dagelijks voor gezondheidszorg, juridische zekerheid, financiële begeleiding, technische expertise en tal van andere essentiële diensten. Ze investeren, nemen risico's, creëren economische activiteit, stellen mensen tewerk en staan dicht bij burgers en ondernemingen.
Moet er dan niks gebeuren om de begroting op orde te krijgen? Natuurlijk wel. Als Federatie pleiten we voor inspanningen aan de uitgavenzijde, zoals besparingen bij de overheid, het optrekken van het remgeld, het verminderen van het aantal mensen met een verhoogde tegemoetkoming, hervormingen in de pensioenen, of een slimme btw-verhoging. Wat geen goed beleid is, is vrije beroepers opnieuw als zondebok opvoeren. De Raad van Bestuur van de Federatie Vrije Beroepen (FVB) was afgelopen week duidelijk: genoeg is genoeg. En trop is te veel.