We verslikten ons toch in onze koffie door zo’n stevige geut aan platvloers populisme.
Dat moesten we even laten bezinken.
Het moet gezegd. Het klopt dat zij die goed hun boterham verdienen inderdaad geen recht mogen hebben op een studiebeurs, of andere premies, ook niet via omwegen met een vennootschap. Ook wij vinden dat sociale toelagen en de studiebeurzen moeten terechtkomen bij de mensen die ze echt nodig hebben.
Maar als de minister, om dat punt te maken, het nodig vindt om te spreken over ‘doktoors’ (sic) en advocaten, dan raakt ons dat recht in het hart.
Dit is niet het niveau dat we van een minister verwachten.
We zijn dat negatieve framen van onze vrije beroepers, om dan, bijvoorbeeld online, met holle slogans te kunnen uitpakken, zo ongelofelijk beu.
In plaats van het op straat te vragen, lijkt het ons verstandiger dat de minister zich door cijfermateriaal laat leiden.
Ook stellen we voor dat de minister zich focust op de voorwaarden die voor studiebeurzen gelden, in plaats van platvloers beroepen als rijkelui en sjoemelaars te stigmatiseren.
Want sommige vrije beroepers, ja ook artsen of advocaten, verdienen echt niet meer dan wat de gemiddelde Vlaming verdient. Ook zij moeten recht hebben op beurzen als ze aan de criteria voldoen.
Waarom zou dat niet zo zijn?
Vrije beroepers zijn zo essentieel in het functioneren van onze maatschappij.
Ons hart bloedt als we dan zien hoe politici, zelfs ministers, vrije beroepers wegzetten als profiteurs.
Dan trekken wij ook een rode lijn, minister.