Begrotingsonderhandelingen: behoud de waarborgen van het vrije beroep

In het kader van de begrotingsonderhandelingen worden verschillende voorstellen besproken die de uitoefening van vrije beroepen kunnen beïnvloeden. Het gaat onder meer om de versoepeling van regels over de toegang tot het beroep en de activiteiten die aan beroepsbeoefenaars zijn voorbehouden. Ook een ruimere rechtsvormkeuze, samenwerking tussen beroepsgroepen en een centralisering van de federale invordering liggen op tafel.

De inzet is groot. Beroepsregels bepalen wie bepaalde diensten mag aanbieden en welke garanties daarbij gelden voor cliënten en ondernemingen. Zij moeten kunnen rekenen op voldoende deskundigheid en een onafhankelijk oordeel, ook wanneer zij de kwaliteit van de dienstverlening moeilijk zelf kunnen beoordelen. 

Daarom moet vóór elke hervorming duidelijk zijn welke waarborgen behouden blijven en hoe eventuele risico’s worden opgevangen.

Dereglementering mag de bescherming van cliënten niet uithollen

Een van de besproken pistes bestaat erin om binnen de vrije beroepen en de zakelijke dienstverlening per beroep te onderzoeken of de bestaande toetredingsvoorwaarden en voorbehouden activiteiten noodzakelijk en proportioneel zijn. Beperkingen die deze toets niet doorstaan, zouden worden versoepeld of afgeschaft. Meer concurrentie en lagere prijzen vormen daarbij het uitgangspunt.

Die benadering houdt onvoldoende rekening met de maatschappelijke functie van beroepsregels. Ze beperken de toegang tot bepaalde activiteiten om cliënten en derden te beschermen. Die bescherming moet centraal staan bij elke beoordeling van hun noodzakelijkheid en proportionaliteit.

Cliënten kunnen de kwaliteit van gespecialiseerde dienstverlening vaak moeilijk zelf beoordelen. Ook derden moeten kunnen vertrouwen op het werk en het oordeel van een beroepsbeoefenaar. Daarom zijn bepaalde activiteiten gekoppeld aan vereisten inzake deskundigheid en onafhankelijkheid. Permanente vorming, beroepsgeheim, aansprakelijkheid en toezicht versterken die bescherming.

Het openstellen van activiteiten voor bijkomende aanbieders mag dat beschermingsniveau niet verlagen. Wie dezelfde werkzaamheden uitvoert, moet aan gelijkwaardige eisen voldoen. Een ruimer aanbod biedt op zichzelf geen garantie op betrouwbare dienstverlening.

Voor activiteiten die verbonden zijn met de uitoefening van openbaar gezag is bovendien een specifieke beoordeling nodig. De vereiste onpartijdigheid en de bescherming van alle betrokken partijen laten zich niet uitsluitend vanuit een concurrentielogica benaderen.

Ruimere samenwerking vraagt duidelijke grenzen

Ook een ruimere rechtsvormkeuze, de opheffing van beperkingen op reclame en samenwerking tussen beroepsgroepen worden besproken. Welke concrete regels worden geviseerd, is nog niet duidelijk.

Modernisering van rechtsvormen is mogelijk zolang de fundamentele beroepswaarden en de deontologische verantwoordelijkheid behouden blijven. Ook samenwerking tussen verschillende deskundigen kan cliënten beter ondersteunen. Dat rechtvaardigt echter geen algemene opheffing van beperkingen zonder te onderzoeken waarvoor zij dienen.

Binnen elke structuur moet duidelijk zijn wie verantwoordelijkheid draagt en hoe vertrouwelijke informatie wordt beschermd. Samenwerkingsvormen waarbij belangenconflicten onvoldoende kunnen worden uitgesloten, mogen niet worden toegelaten. Waar een opdracht een onafhankelijk of onpartijdig oordeel vereist, mag commerciële samenwerking die waarborg niet onder druk zetten. Een beroepsbeoefenaar moet zijn oordeel vrij kunnen vormen, zonder dat de commerciële belangen van samenwerkingspartners zijn beoordeling beïnvloeden. De cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat het advies wordt bepaald door zijn belangen en niet door verkoopdoelstellingen.

Niet elke samenwerkingsvorm is daarom voor elk beroep geschikt. Regels die noodzakelijk zijn om de onafhankelijkheid te beschermen, moeten behouden blijven.

Ook bij reclame is een gerichte benadering nodig. Informatieve communicatie helpt cliënten om een keuze te maken. Agressieve commerciële praktijken kunnen daarentegen de vertrouwensrelatie en het professionele oordeel aantasten. Cliënten kunnen de noodzaak of kwaliteit van een gespecialiseerde dienst vaak moeilijk inschatten. Zij mogen niet onder druk worden gezet om diensten af te nemen die niet aansluiten bij hun behoeften. De omkadering moet rekening houden met de aard van de dienstverlening en de positie van de cliënt.

Efficiëntere overheidsinvordering mag ondernemingen niet verdringen

Een andere piste is de geleidelijke centralisering van de federale invordering bij FOD Financiën, met uitzondering van de RSZ. Automatisering en ruimere gegevensuitwisseling moeten de overheid toelaten schulden sneller en gerichter in te vorderen.

Hier is bijzondere waakzaamheid nodig. De federale overheid beschikt over middelen en informatie waartoe private schuldeisers geen vergelijkbare toegang hebben. Wanneer centralisering samengaat met een ruimer gebruik van vereenvoudigde beslagen, dreigt dat overwicht verder toe te nemen.

Ook zelfstandigen en kmo’s moeten hun facturen betaald krijgen. Hun invorderingskansen mogen niet worden verdrongen doordat de overheid steeds sneller beschikbare middelen naar zich toe trekt. Een efficiëntere openbare invordering moet rekening houden met de rechten van andere schuldeisers.

Ondernemingen kunnen bovendien zelf schuldenaar zijn. Een onmiddellijke blokkering van rekeningen of geldstromen kan het onmogelijk maken om lonen en leveranciers te betalen.

De hervorming moet daarom de tussenkomst van een onafhankelijke professional waarborgen. Die moet bij de uitvoering bewaken dat de overheid niet verder gaat dan nodig om haar schuld te innen en dat de rechten van de onderneming en andere schuldeisers worden gerespecteerd. De overheid mag haar sterkere positie niet gebruiken om zichzelf zo snel mogelijk te betalen, zonder rekening te houden met de gevolgen voor de continuïteit van ondernemingen en de invorderingskansen van private schuldeisers.